30e zondag door het jaar

Het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar van deze zondag zou kunnen gaan over het non-verbale gebed. Natuurlijk, er wordt door beide mannen van alles gezegd, de een meer dan de ander, maar net zo belangrijk wellicht is de plek, waar ze zich bevinden in de gebedsruimte en de houding, die ze daarbij aannemen. De Farizeeër blijkbaar verder naar voren, dichter bij de heilige pek van God, en de tollenaar op grotere afstand. Die neemt daarbij ook nog een houding aan van schaamte of nederigheid, ogen omlaag en zichzelf op de borst kloppend. Non-verbaal en toch hoorbaar, terwijl de Farizeeër plechtig de Heer aankijkt en toespreekt. Toch, denk ik, bidt ieder van hen oprecht, in de betekenis dat ze bidden zoals ze zijn. Ze doen zich niet anders voor dan zoals ze zichzelf begrijpen. De Farizeeër is een man, die studeert, die de Wet van Mozes kent en kan uitleggen. Zijn gereedschappen zijn zijn verstand en zijn stem: nadenken en verwoorden. De tollenaar heeft een ander beroep; hij werkt met zijn handen en is veel directer met mensen bezig, waarbij lichaamshouding en gedrag direct een uitwerking hebben op het succes van het vak: het innen van geld en goederen. Ze kennen zichzelf en zo benaderen ze ook hun God.

Eén van de foto’s uit de 36e Algemene Congregatie van de jezuïeten in Rome, die op mij een diepe indruk gemaakt heeft, betreft een handeling van de nieuwe Algemeen Overste Arturo Sosa kort na zijn verkiezing. In de volle aula knielt hij neer voor het kruisbeeld en wijdt zich in zijn nieuwe functie toe de Heer. Alle anderen staan in stilte en eerbied erbij. Ook bij deze gebeurtenis werden woorden gebruikt, belangrijke woorden natuurlijk, maar die had ik niet echt nodig om te zien, te begrijpen en te ervaren wat er daar op die momenten plaatsvond. Het beeld en de houdingen en de  gelaatsuitdrukkingen vertelden het verhaal.

In onze vieringen en ontmoetingen met God gebruiken we vaak vele woorden en dikke boeken. Toch is ook een groot deel van ons persoonlijk en gezamenlijk gebed non-verbaal. Als mensen van vlees en bloed is onze relatie tot onze mens-geworden God niet in de laatste plaats een heel lichamelijke. Het staan, zitten en knielen op de diverse momenten van de mis zijn geen toevalligheden. Elke houding drukt uit, waar we op dat moment mee bezig zijn. En in ons persoonlijk gebed kennen we ook onze favoriete plekjes, houdingen en hulpmiddelen, zoals een kaars, beeld of rozenkrans. Hierin laten we zien, net zoals de Farizeeër en de tollenaar, wie we zijn: we bidden zoals we onszelf begrijpen. We plaatsen ons in alle eerlijkheid en eigenheid voor onze God, althans bekeken door onze eigen ogen. Hoe God ons ziet is iets wat we wellicht in het antwoord op ons gebed mogen ervaren. Als we daarvoor open durven staan, kunnen we groeien in ons geloof en onze naastenliefde.

Bart Beckers SJ

 

 

About the Author

Krijtberg
Krijtberg
administrator